HET NEDERLANDSE UNIFORM

In 1939 groeide het Nederlandse leger van 30.000 naar 280.000 militairen, waarvan het overgrote deel ‘gewoon dienstplichtige’ was. Er waren onvoldoende uniformen en veel oudere militairen pasten niet meer in de kleding die ze hadden bewaard uit hun opleidingsperiode. Zover de voorraad strekte kregen soldaten en korporaals het ‘grove wol’ uniform (M1931). Officieren droegen uniformen van mooiere stof, maar moesten dit wel zelf betalen.

Bovenste vitrineplaat

Bovenin de vitrine ligt een helm ‘M16’, door Nederland ontwikkeld in de Eerste Wereldoorlog. Men komt niet veel later tot de conclusie dat er een betere helm moet komen met een andere vorm die meer bescherming biedt. Door een tekort aan helmen wordt aan artilleristen en een deel van de infanteristen toch deze oude helm uitgereikt. Het getoonde exemplaar werd in Amersfoort aangetroffen bij het afgraven van een stuk liniedijk.

Resterende deel vitrine plaat

De twee uniformjasjes in deze vitrine komen uit de nalatenschap van artillerist Aart Takken, die diende bij het 4e Regiment Artillerie. De jasjes horen echter bij de cavalerie (links) en de infanterie (rechts, met de blauwe bies) Kanonnier Takken was kleermaker van beroep en beoefende dat ambacht in Kasteel Renswoude. Op het moment van de Duitse inval waren deze jasjes nog niet opgehaald. En dat zou zo blijven.